| Het dooit onder de korven .2 | ![]() ![]() | |
Wij hadden afgesproken. Spoedig, halverwege tegen het aanbreken van de seizoenen te midden van bomen, bijen, kreken. Reuzeneieren lagen vergeten in het woud alsof elke ijstijd zijn terugkeer gereedhoudt: verse kou, uit te broeden bij heimwee. We hadden modderpoelen van ze gekregen om zelf onze eilanden te kneden. Het jaar mochten wij nu in vieren delen. We stierven bij bosjes, leefden tevreden. De ochtend verbreidde zijn godenschemer. Eindelijk iets om voor te vrezen. Ik wurgde netjes maagden aan het veen stapelde gletsjerkeien om me heen ging liggen met mijn trechterbekers en daar kwamen ze, halverwege als beloofd wit en breekbaar naar beneden. In kristallen warrelden voorouders mee. Hier ga ik. Op twee verzamelaarsbenen waad ik door sneeuw, zuigende sneeuw. Ik ben een honingvat voor de hemel. | ||
| Ramsey Nasr (1974) | ||

